LE ROUTIER

zondag 25 augustus 2013
DE KIKKER, DE FILOSOOF EN HET MASKER
Tekst: Martin Desloovere
Eerder in de gang, links in het halletje, is
de toeschouwer ondertussen al enigszins overdonderd door een wandvullend doek van
Merlyn Paridaen. Het werk verwijst eveneens rechtstreeks naar de
vervoerssector: op een achtergrond van twee vlakken in steenrood en oranje
staat bovenaan met gulden letters het woord “Transport”. Het grote formaat van
dit schilderij, een truck waardig, blijkt eerder uitzonderlijk bij deze
kunstenaar, maar de basiselementen duiken ook in zijn andere, kleinere werken
op: het gebruik van achtergrondvlakken in (vaak twee) felle kleuren – hier met
des te meer impact tegenover de veelal vaal geworden kamermuren – met daar
overheen woorden in grote letters, die het werk een opvallende ritmering verlenen
en waarvan de betekenis vaak intrigeert.
Zo duikt een tweede werk van Paridaen op in de
galerie-kamer: over een geel-oranje achtergrond roept de naam “Spinoza” meteen
een hele (denk)wereld op, meer bepaald van de zeventiende-eeuwse,
Portugees-Nederlandse filosoof, bekend (en in onze tijden weer groeiend
‘populair’) omwille van zijn pleidooi voor (godsdienst)tolerantie en vrijheid
van meningsuiting. Paridaen heeft de letters van de naam overigens in diverse tinten
blauw geschilderd, gespiegeld rond de middelste N. Die ingreep lijkt de
ritmering door de letters nog een extra dimensie te geven, maar is misschien ook
ingegeven door het genuanceerde denken van de vernoemde filosoof?
Op de vloer in de kamerhoek onder het
‘Spinoza-doek’ duikt een bekende figuur van een heel ander allooi op: een
beetje onderuitgezakt zit daar Kermit de Kikker, presentator van The Muppet Show, een absolute televisie-hit
in de late jaren zeventig. De aanwezigheid van dit figuurtje – zeker in de
buurt van (de vermelding van) de grote filosoof – roept een brede glimlach op
en lijkt eerst niet méér dan een kleine spielerei vanwege kunstenaar Michiel
Ceulers. Worden de toeschouwers hier terloops de andere Muppets uit de show? Of
wordt misschien gesuggereerd dat zij – met hun meningen en oordelen over de getoonde
kunstwerken – de rol opnemen van Statler en Waldorf, het kritische duo dat
vanop het theaterbalkon commentaar gaf op de gepresenteerde Muppet-optredens?
Maar de lach vergaat al snel voor wie de
moeite neemt om het sculptuurtje even grondiger te bekijken: Ceulers heeft
gekozen voor een ruw gemaakte versie van Kermit, in een soort klei die
afbrokkelt naarmate het droogproces vordert. Dit zorgt voor een aangrijpende
werking van het beeld door de (tentoonstellings)tijd heen: naarmate met de
dagen de klei opdroogt, valt het beeldje steeds verder uit elkaar en wordt het
een fragiele, desintegrerende aanwezigheid. Daardoor haalt dit grappig ogende
groene figuurtje onverwacht maar nadrukkelijk melancholie en tristesse, tijd, vergankelijkheid
en breekbaarheid in de tentoonstelling binnen: Kermit ligt er bijna
uiteengevallen op de koude vloer in een hoekje wat verloren bij. Tenslotte ligt
de glorietijd van The Muppet Show al
enkele decennia achter ons, net zoals die van het ‘Routier’-pand. De verhalen
van toen zijn onder het stof geraakt, ‘de lach en de traan’ echoën mogelijk nog
vaag na, maar de histories zijn verbrokkeld, de personages tot schimmen herleid
– waar zijn ze nu, hoe vergaat het hen, wie waren ze überhaupt?
Vragen omtrent identiteit tekenen ook het werk
van Nikolaas Demoen. Van hem hangen twee ovalen – een veel voorkomende vorm in
zijn werk – aan de muur, een beetje overlappend als gold het een tekening van
wiskundige verzamelingen. De ene ovaal, staand, doet denken aan een gezicht; de
andere lijkt, liggend, naar een oog te verwijzen. In het metaalgrijs en
metaalblauw ziet de toeschouwer zich weerspiegeld, maar slechts in vage
contouren: dit zijn geen spiegels, details van gezichten zijn niet waar te
nemen. Er lijkt een vraag rond aan- en afwezigheid, rond identiteit te worden
gesteld, ook in Demoens andere werk in de galerieruimte: op een als tafel
opgestelde lichtbak ligt een negatief beeld van een persoon naast een rek in
een kamer. Ook hier zijn de contouren te zien, maar ze zijn diffuus geworden,
de figuur heeft als het ware zijn materialiteit verloren, is aan het vervagen,
aan het verdwijnen in de kil-witte tl-licht-leegte erachter en eromheen. Alleen
het masker lijkt tastbaar te blijven, de ware identiteit is onbereikbaar.
Een gelijkaardig masker ‘ontmoet’ de
toeschouwer later in de leefruimtes boven, nonchalant maar heel reëel
opgehangen aan de rand van een rek, alweer, maar naar de menselijke figuur die
er (potentieel) achter zit, moeten we telkens op zoek.
Op zoek lijkt ook het personage in Demoens
video, eveneens op de eerste verdieping, waarin opnieuw twee ovalen opduiken.
Met het groen-blauwe ovaal onder de arm loopt een man – zijn gezicht zien we
niet – aftastend heen en weer langs heggen, die doen denken aan (de rand van)
een labyrint. Vervolgens staat dezelfde persoon in een binnenruimte bij een
tafel waarop hij de groen-blauwe en de metaalgrijze ovalen in verschillende
composities tegenover elkaar verschuift. Maar de zoektocht naar de ‘juiste’
verhouding tussen de vlakken, naar de krachtigste uitdrukking van de
kunstenaarsgeste, lijkt (voorlopig?) geen bevredigende uitkomst te bieden.
SCHADUWROUTES (Revisited)
Tekst: Martin
Desloovere
'Le Routier', woonhuis en voormalig café aan
het Stapelplein bij de oude Gentse dokken, oogt grijzig in het dichtbewolkte
licht op de openingsavond van de kunsttentoonstelling op initiatief van bewoner
Jan Wyffels, die negen collega-kunstenaars uitgenodigd heeft. Onder hen Vincent
de Roder, bezieler van de “vrijplaats voor actuele kunst LOODS 12” in Wetteren,
die in ‘Le Routier’ ook nog het curatorschap voor de expositie op de
benedenverdieping op zich genomen heeft.
De tentoonstelling begint al buiten bij het
café-raam. Er hangt niet alleen een affiche die het gebeuren aankondigt, maar
ook het voorblad van – afgaand op de titel Top
Girls – een kalender met uiterst schaars geklede vrouwen. Het soort drukwerk
dat in een clichématige reactie al snel gelinkt wordt aan autowerkplaatsen en
truckerscabines en -lockers, traditioneel beschouwd als een wereld van stoere
mannen. Het blijkt te gaan om een kleine ingreep van Vincent de Roder en Jan
Wiels, samenwerkend onder de intrigerende naam 'Weld': dit Engels woord voor “lassen,
nauw verbinden, samenvoegen, aaneensmeden” roept connotaties op van hitte
(verhitte discussies en clashes van ideeën?) en materie-veranderende ingrepen
en zegt wellicht veel over artistieke collaboraties.
Aanvankelijk lijkt het kalenderblad niet meer
dan een knipoog naar de context van het truckerscafé, maar snel dienen zich ook
ernstiger associaties en bedenkingen aan. Uit het kalenderblad is in cirkelvorm
het bovenlichaam van het model uitgeknipt: een opening die uitnodigt tot
binnengluren, als gold het een peepshow? Een tikje voyeuristisch is dit opzet
tot op zekere hoogte in elk geval: tenslotte dringt de bezoeker straks ook binnen
in privé-leefkamers.
Bij het betreden van het pand kan de bezoeker
eerst meteen rechts de vervallen glorie van de vroegere gelagzaal ontdekken.
Aan de linkerkant van de centrale gang biedt een andere deur toegang tot een
galerie-ruimte die de initiatiefnemers hebben ingericht in wat wellicht vroeger
privéruimtes van de café-uitbaters waren. Met de grijs geschilderde muren lijkt
er geopteerd te zijn voor een (letterlijke) middenweg tussen de traditionele ‘white
cube’ en ‘black box’, een keuze die – in elk geval in deze omgeving – prima
werkt.
Wie echter eerst nog even de gang verder
instapt, ontdekt de ‘echo’ van het kalenderblad van Weld: de uitgeknipte cirkel
met het bovenlichaam van het naakte model duikt hoog tegen de muur op, gekleefd
op wat een stuk afdekzeil of een vlag met bijvoorbeeld het logo van een transportfirma
zou kunnen zijn. Hier is er opnieuw eerst een glimlach van herkenning, maar
toch snel ook gedachten aan minder fraaie aspecten van ‘internationaal
vervoer’: mensenhandel, uitbuiting van jonge vrouwen, bedenkelijke trafieken
allerhande...
Abonneren op:
Posts (Atom)